Over noaberschap, stilte en waar ik me thuis voel.
Gisteren ging ik in mijn eentje een dagje naar Amsterdam met het openbaar vervoer.
Na een lange periode waarin mijn gezondheid ronduit slecht was, voelde dit als een grote overwinning. Ik keek er enorm naar uit — ook omdat ik een vriendin na twee jaar weer live zou zien.
Ik had afgesproken naar haar toe te gaan.
Mijn zoon zette me af bij het station en bleef wachten tot mijn kaartje geldig was en ik naar binnen kon. Zo lief. Ik hou zo veel van mijn grote jongen.
De heenreis verliep niet helemaal soepel.
Blijkbaar rijdt er geen rechtstreekse trein meer van Zwolle naar Amsterdam, dus overstappen in Almere. Dat ging nog prima. Aangekomen op Amsterdam Centraal begon het avontuur pas echt. Eerst een wc zoeken: de ene gesloten, helemaal naar de andere kant lopen voor een open wc. Pin werkte niet bij het poortje, ander poortje wel. €1,10 om te kunnen plassen. Wtf.
Maar goed — als de nood hoog is, ga je. Ze waren schoon, dat was fijn.
Op naar de tram.
Die viel uit. De trambestuurster besloot eerst nog acht minuten in haar dooie gemak een sigaret te roken, half uit de deur van de tram.
Dan het kaartje.
Moest ik gewoon inchecken met mijn pinpas, zoals in de bus in het oosten? Ik wist het niet. Dus ik kocht een kaartje bij de dame in het midden van de tram. Ze keek ongelooflijk chagrijnig. Op het station was het me al opgevallen: mensen volledig in zichzelf gekeerd, veel gezucht, harde blikken. Deze tramdame leek zo uit een Colombiaanse maffiaserie te zijn weggelopen. Ik durfde haar nauwelijks aan te kijken, bang voor een: “wat kijk je!” naar mijn hoofd.
Na een tramrit van twintig minuten stond mijn vriendin me op te wachten bij de halte.
Dat moment voelde als een opluchting — eindelijk iemand die mij echt zag.
We wandelden samen naar haar huisje, met een korte tussenstop. Ze bracht paracetamol bij een zieke buurvrouw. Dat raakte me. Even dacht ik: kijk, dit is verbinding. Noaberschap.
Achteraf bleek dat het enige moment van verbondenheid die dag in Amsterdam.
Op de terugweg naar de tram begon het weer: opletten, ontwijken, hopen dat automobilisten — en vooral fietsers — stoppen bij het zebrapad. Daarna de trein in. Overvol. Ik stond bijna de hele weg in de instaphal, samengepakt met zo’n vijftien anderen.
En je zou denken: vast wel iemand die een praatje maakt.
Nee.
Iedereen had één focus. Telefoon. Oortjes. Koptelefoon. Eén vrouw zat met haar neus in een boek. Geen hallo. Geen: waar ga jij heen? Geen: wat ga jij straks eten? Zelfs de kaartcontroleur kreeg nauwelijks een groet.
Ik merkte hoe onmogelijk het voelde om iemand te benaderen.
Niet omdat ik het niet durfde, maar omdat al het menselijke contact actief leek te worden vermeden.
Het viel me pas echt op toen ik weer in Zwolle aankwam.
Een bus was uitgevallen. Iedereen baalde, maar bleef rustig. Geen boosheid, geen agressie. We stapten in een andere bus en — warempel — bij bijna elke halte hoorde ik: “bedankt!”, “tot ziens!”, “werkse!” richting de chauffeur.
Zo gewoon voor mij.
Maar één dag Amsterdam had me al bijna verbitterd gemaakt. Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet. Cultuur vormt je sneller dan je denkt — en niet altijd in positieve zin.
Ik reed door naar mijn dorp.
Daar waar je niet bijna wordt doodgereden door Anne-Louise op een bakfiets met Lodewijk en Bobine erin. Want ja, die heb je ook in Amsterdam. Ze wanen zich onschendbaar.
Ik ben genezen van Amsterdam.
Voor nog geen miljoen zou ik er willen wonen.
Geef mij het verre oosten maar.
En laat de juppen en het koude karakter alsjeblieft daar.
Tot zover dit avontuur.
-Pien
