Ik zit op bed.
Een fris windje komt door het rooster van het slaapkamerraam, terwijl de kachel aan staat. Laptop op schoot. Koffie — decaf, met lactosevrije melk — en thee binnen handbereik. Een kleine thermosfles met heet water en twee Ceylon-theezakjes, zodat ik niet hoef op te staan. Dit is mijn plek, voor nu.
Ik heb pijn in beide liezen. Al weken.
Het begon na een wandeling van vijf kilometer met een vriendin. Het leek even weg, maar is terug. Zeurend, links erger, met uitstraling. Ik hoop dat het zakt.
Misschien hoor ik niet op bed te liggen.
Misschien moet ik elke minuut benutten, eropuit gaan, leven — want over precies een week staat mijn operatie gepland. Daarna moet ik zes weken verplicht rust houden.
Maar dit ís wat ik nu nodig heb.
Rust. Ruimte. Mijn eigen bubbel.
Ik maak me vaak druk om de mensen om mij heen. Vooral om mijn zoon. Terwijl hij het fantastisch doet. Al meer dan twee jaar zelfstandig ondernemer, en goed — écht goed — in zijn vak. Ik ben intens trots op hem.
Toch voel ik die bekende neiging:
willen beschermen, verlichten, regelen.
Denken aan geluk, aan randzaken, aan hoe ik het makkelijker kan maken.
Hij wordt dit jaar twintig.
Ik weet dat ik moet loslaten.
Adviseren kan, uitleg geven ook — maar hij moet het zelf doen.
Wat ik al mijn hele leven voel, is dat ik draag.
Als kind al, voor mijn ouders en familie.
Aanvoelen. Pleasen. Regelen.
Anderen hun behoeften eerst.
Dat patroon heb ik lang meegenomen.
Herinneren, afstemmen, ruimte geven aan emoties van anderen.
Maar ik wil dat dit stopt.
Ik ben niet verantwoordelijk voor het dragen van de wereld.
Niet voor het ordenen van andermans leven.
Niet voor het valideren van alles en iedereen en hun emoties trachten te verwoorden.
Daar stop ik mee.
2026 wordt / is een mooi jaar.
Ik voel het aan alles.
Ik voel het.
Ik weet het.